nieuws Bestuurskracht

Ambtenaren maken zich zorgen om haalbaarheid klimaatdoelstellingen

Is de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 gehalveerd ten opzichte van 1990, zoals in het Klimaatakkoord staat? Slechts 45 procent van de overheidsmedewerkers denkt dat het lukt. Een bijna even groot percentage is ervan overtuigd dat het onbegonnen werk is. Dat neemt niet weg dat amtenaren zich flink inspannen om afval te scheiden, minder vlees te eten en niet zo vaak het vliegtuig te nemen. En dat een overgrote meerderheid van de overheidsorganisaties zich inzet om duurzaamheid veel mogelijk te bevorderen, zowel intern als extern. Een en ander blijkt uit onderzoek van het Ambtenarenpanel.

Het Klimaatakkoord is een onderdeel van het Nederlandse klimaatbeleid. Het is een overeenkomst tussen organisaties en bedrijven in Nederland om de uitstoot van CO2 tegen te gaan. In 2030 moet de deze uitstoot met 49 procent zijn verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 is het streven om de uitstoot van broeikasgassen met 95 procent te verminderen.

Een grote meerderheid van de overheidsorganisaties houdt zich bezig met duurzaamheid

Het is een open deur, maar in het streven naar een duurzamere economie en samenleving spelen overheden – en met name decentrale overheden – een steeds belangrijkere rol. Het Ambtenarenpanel raadpleegde om die reden 352 overheidsmedewerkers over hoe zij zich in hun werk en privé met duurzaamheid bezighouden. Van de deelnemers is 52 procent man, 46 procent vrouw en zegt 2 procent anders of geeft geen antwoord. Bij de rijksoverheid en de gemeente werken respectievelijk 29 procent en 46 procent, bij de provincie 5 procent en het waterschap 9 procent. Nog eens 5 procent is werkzaam bij een ZBO en 6 procent van de deelnemers geeft aan bij een andere overheidslaag te werken. Het merendeel van de ambtenaren is tussen de 40 en 60 jaar: maar liefst 78 procent. Slechts 19 procent is jonger dan 40 en 3 procent is ouder dan 60 jaar.

 Beleid en voorlichting
Het onderzoek van het Ambtenarenpanel laat zien dat een grote meerderheid van de overheidsorganisaties zich met duurzaamheid bezighoudt. Op de vraag of hun werkgever aan het bevorderen van duurzaamheid werkt, antwoordt 87 procent van de deelnemers bevestigend. Een kleine minderheid van 4 procent antwoordt ontkennend en 9 procent weet het niet. Daar komt bij dat meer dan de helft van de ambtenaren in het eigen werk met duurzaamheid te maken heeft: 52 procent. Zo’n 45 procent heeft niet met duurzaamheid te maken en 3 procent weet het niet.

Ook in het privéleven van ambtenaren speelt duurzaamheid een belangrijke rol

Op welke manieren houden overheidsorganisaties zich bezig met duurzaamheid en de bevordering ervan. Bij deze vraag zijn er meerdere antwoorden mogelijk. Niet verwonderlijk zegt 87 procent dat er beleid wordt gemaakt. Nog eens 70 procent geeft aan dat zijn werkgever zich richt op voorlichting en gedragsbeïnvloeding en 29 procent dat er andere manieren zijn waarop duurzaamheid wordt bevorderd. Bij de vraag welke andere manieren dat zijn, blijkt het vaak om maatregelen te gaan die de organisatie neemt om zelf zo duurzaam mogelijk te opereren. Antwoorden die voorbij komen, zijn onder andere: het stimuleren van de duurzame inzetbaarheid van medewerkers, circulair inkopen, energie besparen in datacenters, het gebruik van fairtrade-producten in de kantine, enzovoort.

Deze uitkomsten worden ondersteund door de antwoorden op de volgende de vraag: werkt uw organisatie vooral intern of extern aan duurzaamheid? 11 Procent zegt: intern. Een meerderheid van 67 procent kiest intern en extern als antwoord. Vooral extern, antwoordt 12 procent en 10 procent weet het niet.

Minder vlees
Niet alleen op het werk van ambtenaren maar ook in hun privéleven speelt duurzaamheid een belangrijke rol. Dat blijkt wel wanneer ze worden gevraagd wat ze thuis ondernemen. Dat levert een indrukwekkende lijst van activiteiten op. Zo doet een overgrote meerderheid van 93 procent aan afvalscheiding en maakt 73 procent gebruik van groene energie. Bovendien eet 64 procent minder of geen vlees, pakt 55 procent minder vaak het vliegtuig en rijdt 24 procent in een energiezuinige auto. Ongeveer een derde (31 procent) neemt nog aanvullende maatregelen: ze proberen zo weinig mogelijk voedsel te verspillen, hergebruiken spullen en reizen met de fiets of het openbaar vervoer.
Een minderheid doet niets aan duurzaamheid: zo’n 2 procent. Een nog kleinere groep weet het antwoord niet. Het gaat daarbij om 1 procent van de deelnemers.

RES en burgerparticipatie
In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over hoe de energietransitie moet worden vormgegeven. De bedoeling is dat elke energieregio – overheden samen met maatschappelijke partners, bedrijfsleven en inwoners – komt tot een breed gedragen Regionale Energiestrategie (RES). De RES is een instrument om de ruimtelijke inpassing van de energietransitie te organiseren. Voorwaarden zijn maatschappelijke betrokkenheid en zo veel mogelijk draagvlak.
Toch lijkt het erop dat niet alle overheidsorganisaties zich op die manier voor de energietransitie inzetten. Wanneer gevraagd of de eigen werkgever betrokken is bij de uitvoering van een RES zegt maar de helft van de deelnemers ja. De andere helft zegt nee (14 procent) of weet het niet (36 procent). Op de vraag of de werkgever te maken heeft met participerende burgers, zegt 57 procent ja en 26 procent nee. Zo’n 17 procent geeft aan het niet te weten.

Het merendeel van de ambtenaren is te spreken over burgerparticipatie

Dat neemt niet weg dat ambtenaren te spreken zijn over de betrokkenheid van inwoners bij (de uitvoering van) energiebeleid. Een meerderheid van 89 procent vindt die betrokkenheid goed tot zeer goed. Als reden geven ze onder andere dat inwoners nodig zijn om “de boodschap” te verspreiden. Bovendien is de mening van betrokken een indicatie van hoe iets in de rest van de maatschappij valt.

Twijfels
Toch zijn er ook kritische geluiden. Van de deelnemers heeft 9 procent geen mening over burgerbetrokkenheid en vindt 2 procent het niks. Inwoners gaan vooral voor hun eigen belangen, is een van de argumenten. Een deelnemer waarschuwt zelfs voor “babylonische polderbijeenkomsten”.
Ook zijn ambtenaren sceptisch over het Nederlandse streven om de uitstoot van CO2 in 2030 te halveren ten opzichte van 1990. Volgens 42 procent is dat niet haalbaar, en 13 procent weet het niet. Een kleine meerderheid van 45 procent ziet wel mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen te halveren. Maar, zo zegt een van de deelnemers, alle zeilen zullen wel bijgezet moeten worden. “Ik heb twijfels over het politieke draagvlak en de uitvoering.”
Als maatregelen die de overheid kan nemen, worden onder andere het aanpakken van de industrie en veehouderij genoemd, en het beprijzen van CO2-uitstoot. Met andere woorden, de vervuiler betaalt. Aan de andere kant van het spectrum worden bijvoorbeeld het stimuleren en goedkoper maken van groene energie genoemd. En onverwacht in dit verhaal over groen en duurzaam: de invoering van kernenergie.

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *