Koloniale bureaucratie

Afgezien van corona en #metoo is er nog een thema dat op dit moment volop in de belangstelling staat: kolonialisme met zijn parallel Black lives matter. Zo beleven we sinds enige tijd een nieuwe beeldenstorm. Mede daarom loopt iedereen als op eieren. Dit mag je niet zeggen en dat al helemaal niet! De angst voor politieke incorrectheid is enorm. Eén verspreking over ras, kleur, zwarte piet of een vergelijkbaar onderwerp en je ligt eruit. Eierlopen dus.

Het verklaart dat ik me in afgelopen weken stuk gelezen heb over het onderwerp (ik ben dol op eierlopen). Te midden van alle ellende viel me iets op dat me niet eerder opgevallen was en wellicht nieuw licht werpt op de Nederlandse variant van dat kolonialisme: hoe bureaucratisch, legalistisch, formeel en daarmee hypocriet die was. Nederland, het is mijn mantra, is een (te) goed georganiseerd land. Altijd geweest. En blijkbaar dus ook overzee. Grofweg tot het begin van de negentiende eeuw was ons kolonialisme rauw als een rasp. Geen omhaal. Slaaf is slaaf en heer is heer. Recht van de sterkste. Maar na Napoleon werd die rauwheid steeds meer verpakt, in mooie praatjes. Een goed voorbeeld hiervan is het Cultuurstelsel. Daarbij werd bij wet bepaald dat de inheemse (Indonesische) bevolking 20 procent van haar land moest bebouwen met een door de overheid aangewezen product. Wie geen geschikte grond bezat moest 66 dagen per jaar voor diezelfde overheid werken. Herendienst heette dat. Slavernij was het niet. Maar vrijheid betekende het evenmin. En voor controleurs en andere ambtenaren was het appeltje eitje. Ze konden hun handen wassen in onschuld, ze deden immers niets anders dan “handhaven”. Meedogenloos? Daar gingen zij niet over. Daarvoor moest je bij de wetgever zijn. Helaas zat die in Nederland. Iets vergelijkbaars gebeurde aan de andere kant van ons koloniale rijk, Suriname onder meer. Daar had slavernij formeel altijd bestaan. Toen zij werd afgeschaft, waren de rapen gaar want, zo luidde het politiek zeer incorrecte gezegde: zonder negers geen suiker. Een oplossing was snel gevonden. De voormalige slaven werden bevrijd maar bleven veelal wel zitten met een schuld. Zolang die schuld niet was betaald, stonden ze bij hun voormalige meester in het krijt. Daarmee waren ze voortaan niet langer slaaf van een mens maar van “hun eigen schuld”. Briljant bedacht en voor de slachtoffers lood om oud ijzer.

De dekolonisatie is langzamerhand een feit maar de mentale dekolonisatie is nog alom gaande. Daarbij zijn twee aspecten van belang: 1. dat we leren inzien dat onze zogenaamd beschaafde kolonisatie (ethische politiek) zo beschaafd niet was, wel verhullend – en dus hypocriet. En 2. dat we begrijpen dat de kolonisatie na haar afschaffing nog lang is doorgegaan, misschien wel tot de dag van vandaag. Voor beide vormen van besef geldt hetzelfde: dat mantels der liefde veelal weinig meer zijn dan doekjes voor het bloeden. Niet zo raar dat tal van nazaten van ooit gekoloniseerde volkeren daarover behoorlijk pissig zijn.

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *