DuurzaamDoor

Essay 'Verder door verzet!'

In dit essay problematiseert bestuurskundige Eva Wolf van Tilburg University de gedachte waarop het begrip draagvlak stoelt: dat je een stabiel fundament onder beleid kunt leggen waardoor dat beleid probleemloos geïmplementeerd kan worden. Deze gedachte laat zich niet rijmen met een dynamische en onvoorspelbare maatschappij als de huidige, waarin politiek zich kristalliseert rond concrete beleidsdossiers, zoals de energietransitie. En dat is maar goed ook. Het verzet, dat altijd op de loer ligt, verrijkt immers het democratische debat.

Liever luisteren? Het essay is ook beschikbaar als voorgelezen podcast

Het traditionele beeld van draagvlak leidt er toe dat verzet tegen beleid, bijvoorbeeld tegen de aanleg van windmolenparken, niet benaderd wordt als een kans om de betrokkenheid van inwoners maximaal te benutten, maar eerder als een horde die genomen moet worden. Procedures van draagvlakcreatie benadrukken meedenken en harmonie, terwijl conflict wordt gezien als iets om te vermijden. Maar het smoren van verzet leidt er niet toe dat het verdwijnt. Sterker nog: vervreemd van beleidsprocedures wordt dat verzet steeds destructiever.

Pogingen om draagvlak te creëren kunnen zelf dus niet op draagvlak rekenen. Het uit de weg gaan van conflict leidt daarmee juist tot een destructiever conflict. En, alhoewel het uit de weg gaan van conflict gemotiveerd wordt door een verlangen om projecten zo snel mogelijk te implementeren, vergroot het juist het risico dat projecten geblokkeerd worden omdat partijen elkaar als vijand gaan zien en daarmee de beleidsdialoog versmalt, verschaalt en, in het ergste geval, stopt. Daarom pleit ik ervoor om discussies over de energietransitie goed te voeren, in plaats van ze te schuwen uit een verlangen naar harmonie.

De praktijk
Een middelgrote gemeente in Noord-Brabant heeft besloten vaart te maken met de energietransitie. De gemeente heeft klimaatdoelen die ze moet halen en is zich ervan bewust dat die klimaatdoelen alleen behaald kunnen worden wanneer de lokale energievoorziening verandert. Het is een gemeente met een traditie van “doorpakken”. Niet eindeloos praten, maar de handen uit de mouwen en gewoon beginnen. Dus ook gewoon beginnen met die energietransitie.

De gemeente in kwestie heeft weinig ervaring met de problematiek. Ze huurt daarom een onderzoeksbureau in dat moet uitzoeken via welke scenario’s de gemeente de klimaatdoelen kan halen. Dat onderzoek is bedoeld als een technische verkenning; als een fundament op basis waarvan geïnformeerde beleidskeuzen kunnen worden gemaakt. Investeringen in duurzame energie vergen immers kennis van de lokale situatie. Op welk soort energie moet bijvoorbeeld ingezet worden? En hoe kan die energie het beste worden opgewekt? Welke locaties zijn hiervoor het meest geschikt? Met andere woorden: wat zijn de meest “kansrijke” investeringen?

Het onderzoeksbureau gaat aan de slag en adviseert om vooral in te zetten op windenergie. Windenergie wordt met name als kansrijk bestempeld omdat windmolens met weinig schaarse ruimte relatief veel groene energie kunnen opwekken. Het onderzoeksbureau wijst meteen een aantal locaties aan die zich goed zouden lenen voor de opwekking van windenergie. De gemeente is zich bewust van de potentiele maatschappelijke weerstand die de bouw van windmolens kan oproepen. Ze stelt daarom als doel om maximaal draagvlak te creëren voor de investeringen in windenergie. Om dat draagvlak te realiseren zet ze een participatief proces in de steigers. Als alle belanghebbenden eigenaar worden van het proces, komt het met dat draagvlak vast goed.

Maar al snel begint het te broeien in de gemeente. Grondeigenaren van het gebied dat is aangewezen als kansrijk hebben elkaar snel gevonden. Ze treden met elkaar in overleg over uitbatingsmogelijkheden en hoe zich op te stellen richting de gemeente. Dat schiet in het verkeerde keelgat bij omwonenden, die zich overrompeld voelen door de op handen zijnde plannen. Zij voelen zich geconfronteerd met een fait accompli: met een gemeente die al lang lijkt weten wat ze wil en met hongerige grondeigenaren die uit de situatie een slaatje willen slaan. Waarom kiest de gemeente eigenlijk voor windenergie? En waarom op deze locatie? Waarom niet voor zonne-energie, die veel minder overlast geeft en toch ook de duurzaam is?

De gemeente benadrukt telkens tegen haar inwoners dat nog niks vaststaat en definitieve beleidskeuzen pas gemaakt worden nadat het participatieproces is doorlopen. Maar waarom lijken dan de belangrijkste contouren van het plan al geschetst te zijn? Is de gemeente eigenlijk wel te vertrouwen, of probeert ze – met de schijn van participatie – een voorbedacht plan aan haar inwoners op te leggen? Een deel van de inwoners start een actiegroep om zich tegen de plannen voor windenergie te verzetten. Ze wil ook niet meedoen aan wat ze schijnparticipatie noemt. De gemeente zit met haar handen in het haar. De actiegroep ziet ze als bijzonder lastig, omdat deze weigert zich constructief op te stellen. In zijn algemeenheid krijgt de gemeente haar inwoners moeilijk in de “participatiestand” omdat iedereen elkaar inmiddels wantrouwt. Omwonenden wantrouwen grondeigenaren, grondeigenaren wantrouwen omwonenden. Ook de gemeente is onderwerp van achterdocht. Het draagvlak voor de energietransitie, zo concludeert de gemeente, lijkt in gevaar. Hoe nu verder?

Draagvlak
Het bovenstaande verhaal illustreert de fragiliteit van wat we in de Nederlandse beleidstaal draagvlak noemen.[1] Omdat we draagvlak belangrijk vinden in Nederland, staat de creatie ervan centraal in veel beleidsprocessen. Draagvlakcreatie sorteert voor op de maatschappelijke “omstredenheid” van publiek beleid: door aan de voorkant van beleidsprocessen mensen “mee” te nemen in het beleidsontwerp, kunnen implementatieproblemen aan de achterkant van die processen voorkomen worden. Het idee is dat wanneer mensen mede-eigenaar worden van een plan, ze zich minder snel tegen dat plan zullen verzetten. Ook het klimaatakkoord benadrukt het belang van lokaal draagvlak voor de energietransitie, waaraan het zelfs een volledig hoofdstuk opdraagt (Klimaatakkoord, 2019, pp. 216–220).

[1] Steeds vaker heet dit ook “acceptatie”, een begrip dat in haar toepassing weinig lijkt te verschillen van draagvlak

Het moge dan ook geen verbazing wekken dat op lokaal niveau hard wordt gewerkt aan plannen om niet alleen de energievoorziening radicaal te transformeren, maar om ook draagvlak voor die energietransitie te creëren. Dat brengt ons terug bij ons voorbeeld. In dat voorbeeld verwacht de gemeente dat burgers weerstand zullen bieden aan windmolenparken en zet in op draagvlakcreatie om die weerstand zo veel mogelijk te neutraliseren. Des te wranger is het dat diezelfde poging om draagvlak te creëren, zelf inzet wordt van burgerverzet. Zo bereikt de gemeente dus het tegenovergestelde van wat haar doel was. Je zou kunnen zeggen dat gemeenten zich bevinden in een Catch-22: het klimaatakkoord draagt hun op om draagvlak te creëren voor de energietransitie zodat lokale weerstand daartegen zo veel mogelijk geneutraliseerd wordt, maar die pogingen tot draagvlakcreatie worden zelf vaak inzet van burgerverzet. Verzet van burgers die de gemeente ervan verdenken vooral geïnteresseerd te zijn in steun voor bestaande plannen, zoals in het voorbeeld. Maar ook verzet van burgers die kritiek uiten op de zoektocht naar consensus en het streven naar draagvlak zien als een gebrek aan politieke daadkracht, met vertraging in de aanpak van een urgent maatschappelijk vraagstuk tot gevolg.

Mijn stelling is dat in het bestuurlijke verlangen om draagvlak te creëren twee vooronderstellingen besloten zitten ten aanzien van maatschappelijke weerstand die de aard van die weerstand miskennen. Weerstand wordt onterecht gezien als een fenomeen dat weg te managen valt (vooronderstelling 1) en weerstand wordt onterecht gezien als iets dat weg gemanaged zou moeten worden (vooronderstelling 2). Die miskenning voedt de tragiek zoals geschetst in ons voorbeeld: pogingen tot draagvlakcreatie voor de energietransitie lijken zelf vaak niet op draagvlak te kunnen rekenen.

Voorbij draagvlak
Draagvlak is een typisch Nederlands begrip waarvoor geen buitenlands equivalent bestaat en eigenlijk ook geen bevredigende definitie (zie ook: Graaf de, 2007). Connotaties zijn het “mee” krijgen van mensen met plannen en het wegnemen van verzet tegen die plannen. Een bekende definitie is een door belangen ingegeven evaluatie van de politieke situatie door doelgroepen van een beleid, waaraan een doelgroep actieve of passieve steun verleent of juist weerstand biedt (Ruelle & Bartels, 1998, p. 405).

Bestuurlijke pogingen tot draagvlakcreatie stoelen op de gedachte dat burgers beleid meer zullen steunen wanneer ze betrokken worden bij het maken van dat beleid. Dat is op zichzelf een logische gedachte. Maar die schijnbare evidentie verbergt het feit dat de vooronderstellingen waarop draagvlakcreatie stoelt deels achterhaald zijn en deels onvolledig.

Vooronderstelling 1
Het begrip draagvlak impliceert een stabiel fundament van steun dat onder beleidsplannen gelegd kan worden om die plannen verzekeren van een soepele implementatie. Dat het mogelijk is om zo’n stabiel fundament te creëren in een tijd waarin politieke scheidslijnen onduidelijk zijn en voortdurend verschuiven, is een illusie. Zou ons politieke landschap gekenmerkt worden door stabiele politieke blokken, dan was het misschien nog mogelijk om aan het begin van beleidsprocedures bindende afspraken te maken over het uit te voeren beleid. Dat is ook de werkwijze die we kennen uit de Nederlandse traditie van het “schikken en plooien”, die met name goed werkte in de tijd dat de maatschappij nog netjes verzuild was. Maar in zo’n samenleving wonen we allang niet meer.

Het huidige politieke speelveld kan ook wel geduid worden als dat van een stand-by democratie, een democratie waarin burgers zeker niet minder politiek geëngageerd zijn, maar hun politieke betrokkenheid wel anders uiten (Hajer, 2003). Burgers identificeren zich veel minder met politieke partijen en veel meer met concrete beleidsdossiers. De energietransitie is zo’n dossier dat burgers die voorheen in de stand-by modus stonden, opeens politiek kan activeren. Dat heeft het politieke spel volatiel gemaakt: geen enkele politieke partij die vandaag de macht heeft, kan zich verzekerd voelen dat ze na de volgende verkiezingen nog een rol van betekenis zal spelen. Maar het heeft het politieke spel niet minderwaardig gemaakt: dat mensen vaker en luider hun stem laten horen over wat hun aan het hart gaat is geen teken van verschraalde politiek, maar eerder van een hogere politieke betrokkenheid dan ooit. Politiek wordt door burgers niet meer eens in de 4 of 6 jaar bedreven via georkestreerde verkiezingscampagnes, maar dagelijks. En ten aanzien van thema’s die burgers zelf kunnen agenderen dankzij de veelheid aan (sociale) media. Het politieke spel is er niet gemakkelijker op geworden, maar wel democratischer dan ooit (Keane, 2009). De democratie is gedemocratiseerd.

Dat de politiek grillig en onvoorspelbaar is geworden, is geen nieuws voor de meeste bestuurskundigen, bestuurders en ambtenaren. Toch lijkt het bestuurlijk verlangen naar draagvlak immuun voor dit inzicht: de notie dat draagvlak gecreëerd kan worden, gaat immers wel degelijk uit van een stabiel fundament waarop je beleid kunt bouwen. Het idee is dat investeringen om mensen “mee” te krijgen zich uitbetalen in een soepelere implementatie. Maar in de stand-by democratie kunnen burger die eerst geen actieve weerstand boden aan beleid, en misschien niet eens geïnteresseerd leken in participatieprocedures, zich in latere fasen toch nog roeren, en met goede redenen.

In het Belgische Antwerpen kwamen burgers bijvoorbeeld pas in een late fase van het beleidsproces (2008) – toen de stakeholder-overleggen al lang hadden plaatsgevonden (2000) en de Milieu Effect Rapportages reeds waren doorlopen (2005-2007) – in actie tegen de verhoogde fijnstofuitstoot die de geplande “Oosterweelverbinding” zou veroorzaken. Toen het snelwegproject een achttal jaar eerder werd ontworpen, was er over de gezondheidsschade van fijnstof wetenschappelijk nog weinig bekend. Maar de wetenschap en het politiek besef van burgers staan niet stil nadat stakeholders hun handtekening onder een project hebben gezet. Nieuwe inzichten kunnen dus nopen tot heroverweging van beleid, ook al dienen die inzichten zich pas aan na de periode waarin het draagvlak wordt gesmeed. Aangezien onze kennis over de impact van bijvoorbeeld windmolens op omwonenden ook nog volop in ontwikkeling is, zou het goed kunnen dat ook in dit dossier nieuwe inzichten zullen nopen tot heroverweging van de bestaande beleidskaders. In de huidige samenleving is er, kortom, niet zoiets als eenduidig draagvlak. De vraag is altijd: draagvlak voor wie, in welke mate en voor hoe lang?

Vooronderstelling 2
Het verlangen naar draagvlakcreatie, met connotaties van harmonie en de ontmanteling van ongenoegen, miskent ook de constructieve kwaliteiten van beleidsconflicten (Zie ook: Coser, 1956 die een opsomming geeft van de positieve functies van conflict). Mensen maken zich alleen kwaad over zaken die hun aan het hart gaan. Beleidsconflicten betekenen dus niet dat er een probleem is met beleid, maar juist dat het beleid ergens over gaat. Alleen als er wezenlijke keuzes te maken zijn, ontstaat er bij burgers engagement (Mouffe, 2009). Als beleidsprocessen daarentegen zijn gericht op het voorkomen of het ontmantelen van elke discussie die op het scherpst van de snede gevoerd wordt, en voor dat laatste is het toestaan van conflict een voorwaarde, dan kan dat burgers juist vervreemden.

De Brabantse gemeente uit ons voorbeeld, waar burgers weigerden mee te doen aan wat ze zelf zagen als schijnparticipatie, is een voorbeeld van de vervreemdende werking die participatieprocedures kunnen hebben wanneer ze de indruk wekken dat het belangrijkste al beslist is. Als burgers alleen maar mogen meedenken, terwijl hun betrokkenheid juist voortkomt uit oprechte verontwaardiging over beleidsaanpakken, dan voelen zij zich miskent in de bijdrage die ze vrijwillig leveren aan participatieprocessen. Het is ook om die reden dat participatieprocessen burgers vaak ontevredener achterlaten. De afwezigheid, eerder dan de aanwezigheid van een conflict, zou beleidsmakers dus achter hun oren moeten doen krabben: als iedereen het eens is met de plannen die op tafel liggen, gaan die plannen dan wel over wezenlijke zaken?

Behalve betrokkenheid kunnen conflicten ook creativiteit aanjagen. Dat is de tweede reden waarom de neutralisering van een conflict onwenselijk is. Het voeren van goede conflicten kan leiden tot de inhoudelijke verbetering van beleidsplannen. Conflicten zijn daarmee een medicijn tegen tunnelvisie: als bestaande opvattingen in een vraag worden gesteld, kan worden voorkomen dat beleid met oogkleppen op wordt gemaakt. De wrijving, die het gevolg is van verzet, is zuurstof voor creatievere, rijkere en dus betere oplossingen. En als het aankomt op klimaatsverandering en de toekomst van onze energievoorziening, zijn er zoveel onzekerheden dat we maximaal moeten kapitaliseren op de mogelijkheden voor vernieuwing. Daarbij hoort het aangaan van conflict, en het erkennen van zijn waarde.

Constructief conflict
Zo bezien is verzet een uiting van betrokkenheid die het startsein kan vormen voor betere beleidsvoorstellen. Om die reden is het zorgelijk wanneer conflicten binnen draagvlakprocedures niet worden gezien als waardevol, maar als bedreigingen die geneutraliseerd moet worden, en conflicten die zich buiten die procedures voordoen moeten inboeten aan legitimiteit onder het motto “meedoen of mond houden”.

Wanneer de zorgen van burgers – die zich vaak uiten als verzet tegen voorgesteld beleid – geen ingang vinden in beleidsprocessen, verdwijnt bovendien hun verzet niet. Sterker nog: doordat ze vervreemd zijn van beleidsprocessen, stijgt niet alleen hun wantrouwen tegen voorgesteld beleid, maar ook tegen beleidsprocedures, beleidsmakers en de politiek. We zagen het al in het voorbeeld: wat begon als inhoudelijke twijfel van inwoners over de wenselijkheid van windmolens, breidde zich als een olievlek uit naar wantrouwen richting beleidsprocedures en uiteindelijk naar wantrouwen richting de beleidsmakers achter het beleid in kwestie. Het conflict escaleerde dus van een inhoudelijk, naar een procedureel, naar een relationeel conflict. En waar conflicten op de inhoudelijke dimensie nog optimaal kunnen kapitaliseren op het engagement van partijen en de creativiteit die voortkomt uit frictie, wordt het steeds lastiger die constructieve eigenschappen van conflict te benutten naarmate conflicten escaleren (Kriesberg & Dayton, 2017). Dat wordt al moeilijker wanneer een conflict procedureel wordt, omdat dan de spelregels van het beleidsproces heroverwogen moeten worden voordat aan de inhoudelijke discussie kan worden begonnen.

Soms is zo’n heroverweging van de spelregels echter noodzakelijk om de beleidsprocedures te laten aansluiten bij de veranderende maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de heroverweging van spelregels die de afgelopen 20 jaar de transparantie van, en de toegang tot, beleidsprocedures hebben verhoogd. Als een conflict relationeel is geworden, kunnen we dat conflict destructief noemen. Wanneer alles wat de andere partij zegt bij voorbaat verdacht is, omdat je haar of hem als persoon wantrouwt, wordt de beleidsdialoog niet langer verrijkt door wrijving, maar zorgt die wrijving er juist voor dat de beleidsdialoog versmalt en dus verschraalt (Wolf & Van Dooren, 2017).

Een voorbeeld van een constructief conflict is dat rondom nieuwe uitbatingsvormen voor windenergie. Vanuit het besef dat mensen een project anders waarderen wanneer ze niet enkel de lasten ervaren (horizonvervuiling, geluidsoverlast, slagschaduw) maar ook van de lusten profiteren, wordt op verschillende plekken in het land gezocht naar manieren om de lusten van windmolenenergie ook bij omwonenden terecht laten komen. Door beleid te verknopen met belangen, en een beleidsdialoog te voeren die ergens over gaat, kunnen uit de betrokkenheid van inwoners, en de wrijving tussen beleidsvoorkeuren, betere ideeën ontstaan om van de energietransitie een succes te maken. Het verzet tegen de lasten van windmolens verandert als die lasten worden overschaduwd door lusten. Maar daarvoor moet wel eerst het gesprek over lasten en lusten op het scherpst van de snede worden gevoerd. Wanneer onder de vlag van draagvlakcreatie vooral wordt ingezet op meedenken en harmonie, blijft voor dat gesprek weinig ruimte.

Zolang het verzet tegen de energietransitie zich focust op de inhoud van beleid (hoe dienen we het doel van duurzaamheid en hoe verdelen we lusten en de lasten op een eerlijke manier) en op de procedures (op welke manier ontwerpen we het beleid op een eerlijke manier), kan datzelfde verzet (dat de traditionele draagvlakgedachte ziet als een bedreiging) de energietransitie dus bevorderen. Dat betekent overigens niet dat conflicten altijd eindigen in bevredigende resultaten. Soms zijn de belangen van partijen simpelweg zo tegengesteld dat ze er niet in zullen slagen tot een resultaat te komen dat beter is dan wat ze denken te kunnen behalen via doorzettingsmacht (overheid) of obstructiemacht (niet-overheid). Maar het zou mooi zijn als die conclusie de uitkomst is van het aangaan van een conflict, in plaats van de aanname die het voeren van een wezenlijk dialoog bij voorbaat onmogelijk maakt.

Dynamisch construct
Het begrip draagvlak heeft, dat realiseer ik me ook, te diepe wortels in het Nederlandse beleidsdiscours om van het toneel te verdwijnen. En in essentie is het verlangen naar draagvlak, het verlangen naar het “mee” krijgen van burgers met beleid, ook een mooi streven, in zoverre als het expliciteert dat beleid beter wordt wanneer het niet vanuit de ivoren toren wordt gemaakt. Laten we wel, in onze pogingen om draagvlak te creëren voor de energietransitie, meer aandacht hebben voor het gegeven dat draagvlak er nooit “is”, maar altijd beweegt, zich altijd in het proces van wording bevindt. Draagvlak dat je nu denkt te hebben, kan morgen immers verloren zijn. Draagvlak, dus, als een dynamisch construct. Als een mogelijke uitkomst van conflicten die goed gevoerd worden. Draagvlak kan niet gecreëerd worden aan het begin van een beleidsproces, maar is een resultaat dat telkens opnieuw bevochten en daarmee verdiend moet worden.

En laten we proberen om in onze dialoog met burgers en maatschappelijke partners die partijen niet van ons te vervreemden door van ze te eisen dat ze alleen mogen meedenken. In plaats daarvan pleit ik ervoor weerstand te leren waarderen als een teken dat beleidsdialogen gezond zijn. De alarmbellen moeten eerder gaan rinkelen als het er binnen beleidsdialogen wat al te harmonieus aan toe gaat, dan wanneer er goede conflicten (op inhoud en procedure) worden gevoerd. Ik breek daarom graag de lans voor betere conflicten in het beleid rondom de energietransitie. Met de wetenschap dat de energietransitie nog vele conflicten zal oproepen, kunnen we die conflicten maar beter zo goed mogelijk benutten.

En de gemeente uit het voorbeeld? De beleidsdialoog gaat daar intussen weer over de inhoud; over manieren om de lusten en de lasten van beleid zo eerlijk mogelijk te verdelen. Maar over die inhoud kon pas gepraat worden, nadat de relaties met partijen weer hersteld waren en die partijen erop durfden te vertrouwen dat er in het gemeentelijke participatieproces nog iets wezenlijk te kiezen viel. Dat de uitkomst van het proces ook kon zijn dat er geen windmolens zouden komen, zolang een alternatieve oplossing dezelfde verbetering van duurzaamheid zou realiseren. Niet ondanks maar dankzij het conflict worden daar nu nieuwe, creatieve, ideeën verkend om de klimaatdoelen te halen. Maar wel pas nadat het conflict was gedeëscaleerd van de relationele naar de inhoudelijke dimensie. Dat gebeurde door veel gesprekken te voeren onder leiding van een nieuwe projectleider, waarin geluisterd werd naar ieders zorgen en die zorgen een plek kregen in het ontwerp van de particpatieprocedure. Zo durfden partijen elkaar en de procedures genoeg te vertrouwen om de dialoog op inhoud te voeren.  Methodes van conflict mediation, bijvoorbeeld de methode van “joint fact finding” (Karl, Herman, Susskind, & Wallace, 2007), kunnen beleidsmakers helpen zulke constructieve conflicten te voeren (zie ook: Forester, 2009; Susskind, Levy, & Thomas-Larmer, 2000 voor een beschrijving van verschillende technieken om conflicten goed te voeren). Het is niet gegarandeerd dat de betrokken partijen uit het voorbeeld een oplossing zullen vinden die geaccepteerd wordt. Die garantie is er immers nooit. Maar de beleidsdialoog wordt in ieder geval weer “met” in plaats van “tegen” elkaar gevoerd. Verzet bleek geen horde die genomen moest worden, maar gaf juist zuurstof om van de energietransitie werk te maken.

Geraadpleegde bronnen

Coser, L. A. (1956). The function of social conflict. London: Routledge.

Forester, J. (2009). Dealing with differences. Dramas of mediating public disputes. Oxford: Oxford University Press.

Graaf de, L. (2007). Gedragen beleid: Een bestuurskundig onderzoek naar interactief beleid en draagvlak in de stad Utrecht. Universiteit Utrecht.

Hajer, M. (2003). A frame in the fields: Policy making and the reinvention of politics. In Deliberative Policy Analysis: Understanding governance in the network society (pp. 88–110). Cambridge: Cambridge University Press.

Karl, Herman, A., Susskind, L. E., & Wallace, K. H. (2007). A dialogue not a diatribe. Environment, 49(1), 20–34.

Keane, J. (2009). The life and death of democracy. London: Simon & Schuster.

Klimaatakkoord. (2019, June 28).

Kriesberg, L., & Dayton, B. W. (2017). Constructive conflicts: From escalation to resolution. Lanham: Rowman & Littlefield Publishers, Inc.

Mouffe, C. (2009). The Democratic Paradox. London: Verso.

Ruelle, H., & Bartels, G. (1998). Draagvlak en de wisselwerking tussen zender en ontvanger. In G. Bartels, W. Nelissen, & H. Ruelle (Eds.), De transactionele overheid. Communicatie als instrument: zes thema’s in de overheidsvoorlichting (pp. 403–409). Kluwer bedrijfsinformatie.

Susskind, L., Levy, P. F., & Thomas-Larmer, J. (2000). Negotiating environmental agreements: How to avoid escalating confrontation, needless costs, and unnecessary litigation. Island Press.

Wolf, E., & Van Dooren, W. (2017). De waarde van weerstand: Wat Oosterweel ons leert over de Oosterweelverbinding. Pelckmans Pro.

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

  1. Bravo! Eindelijk een uitstekend verhaal dat het poldermodel op stelten zet. Omgaan met ‘wicked problems’ vergt inderdaad dat je eerst de verschillen en tegenstellingen tussen betrokkenen articuleert en op scherp zet. Pas daarna kun je zinnig op zoek naar (partiële en soms tijdelijke) ‘oplossingen’ die je politiek verder brengen.
    We schijnen helemaal vergeten te zijn dat onze hedendaagse democratie is geboren uit verzet: verzet tegen ‘de tiende penning’ in ons eigen land, tegen ‘taxation without representation’ in het (toen nog) Verenigd Koninkrijk, en tegen Engels koloniale overheersing in wat later de Verenigde Staten zouden worden. Als je Keane’s pil over democratie tot je laat doordringen kom je ook tot dat inzicht. En lees ook de helaas overleden Amerikaanse politiek filosoof Sheldon Wolin (Politics and Vision, maar ook zijn magistrale Democracy Incorporated).
    Misschien moeten we dus politiek nog een stapje verder gaan dan locale participatiepraktijken verbeteren door conflict als kans te zien en ‘technieken’ te bedenken om van het relationele en procedurele weer te deëscaleren naar het productief inhoudelijk conflict. Alle door ecologische crises (energie is er slechts een van) teweeg gebrachte conflicten kunnen en moeten gezien worden als ‘kraambed’ voor nieuwe vormen van democratie, op meerdere niveaus en schalen van bestuur en politiek. De klimaattafels en het klimaatakkoord zijn slechts een begin.