DuurzaamDoor

Zoektocht naar draagvlak: vijf essays over de energietransitie

Voor de maatregelen die nodig zijn om de energietransitie te laten slagen, is draagvlak essentieel. Maar hoe realiseer je dat? En wat doe je met emoties van en verzet door burgers? Hebben gekozen volksvertegenwoordigers wel invloed op de majeure, strategische keuzes die meestal op regionale schaal worden gemaakt? En kan een integraal ‘burgerbetrokkenheidsplan’ meer draagvlak en beter beleid opleveren?

Om op al deze vragen een antwoord te krijgen, heeft Kennisprogramma DuurzaamDoor een aantal wetenschappers gevraagd hun licht te laten schijnen op de energietransitie. In vijf essays gaat eenieder van hen – vanuit zijn of haar eigen specialisme – op zoek naar draagvlak voor wat een van de grootste maatschappelijke opgaven van de komende jaren is. Draagvlak is alleen te realiseren door een productieve interactie tussen politiek en bestuur, markt en samenleving, stellen Rinie van Est & Kyra Delsing van het Rathenau Instituut in hun essay Eerlijk is het duurzaamst. Belangrijk is betrokkenheid. Dat veronderstelt vaak acceptatie, maar betrokkenheid kan juist ook leiden tot actieve weerstand. Desondanks is het toch iets om na te streven, want zonder betrokkenheid geen acceptatie en dus ook geen draagvlak.

Voor het verkrijgen van draagvlak is het nodig goed om te gaan met de zorgen van mensen. Daarvoor is ‘procedurele rechtvaardigheid’ nodig. Dat wil zeggen dat iedereen eerlijk toegang moet hebben tot en deel kan nemen aan de besluitvormingsprocessen over de verdeling van de baten en lasten van (duurzame) energiesystemen. Gekoppeld aan die procedurele rechtvaardigheid is het begrip ‘inclusieve participatie’: het is ieders eigen keuze om wel of niet te participeren, maar het moet wel kunnen. Van Est en Delsing noemen een aantal ingrediënten daarvoor: betrek burgers zo vroeg mogelijk, zorg voor begrijpelijke procedures, zorg dat burgers bij inspraak respectvol erkend en gehoord worden, zorg dat ze voldoende kennis en informatie kunnen vergaren, geef ze voldoende tijd om kennis te vergaren en tot een oordeel te komen en praat met alle stakeholders.

Taboewoord
Bij de discussies over pakweg de bouw van een windmolenpark lopen de emoties wel eens hoog op en ontstaan er conflicten. Erg? Helemaal niet, betoogt Eva Wolf, bestuurskundige aan de Universiteit van Tilburg. In haar essay, getiteld Verder door verzet, signaleert ze dat conflict veelal als taboewoord wordt gezien. Dat is niet terecht, want conflict is een neutraal begrip, net als samenwerking. Een conflict is juist een uiting van betrokkenheid en kan leiden tot een beter eindresultaat; gebruik daarom de constructieve kwaliteiten ervan. ‘Dat mensen vaker en luider hun stem laten horen over wat hun aan het hart gaat is geen teken van verschraalde politiek, maar eerder van een hogere politieke betrokkenheid dan ooit.’

Bestuurders moeten hun burgers serieus nemen en – Van Est en Delsing wezen er ook al op – accepteren dat er in het participatieproces weerstand en conflict ontstaan. Te vaak is er nog steeds sprake van een soort schijnparticipatie die burgers ontevreden achterlaat omdat ze het gevoel hebben dat het belangrijkste toch al is beslist. Wolf: ‘De afwezigheid, eerder dan de aanwezigheid van een conflict, zou beleidsmakers achter hun oren moeten doen krabben: als iedereen het eens is met de plannen die op tafel liggen, gaan die plannen dan wel over wezenlijke zaken?’

Ethisch probleem
Bij conflicten hoort emotie, ook een begrip dat niet hoog scoort bij beleidsmakers en bestuurders. Het publiek wordt vaak afgeschilderd als emotioneel en om die reden als irrationeel in zijn reacties op risicovolle technologieën. Maar emotionele reacties zijn niet per definitie irrationeel, stelt Sabine Roeser, hoogleraar Ethiek aan de TU Delft, in het essay Geef morele emoties een rol in de energietransitie. Ze kunnen juist een belangrijke rol spelen bij ethische besluitvorming omdat ze zicht kunnen bieden op belangrijke morele waarden die anders misschien over het hoofd worden gezien. En als mensen het gevoel hebben dat er in de besluitvorming rekening wordt gehouden met hun zorgen en waarden, dan kan dit bijdragen aan draagvlak.

Maar het is belangrijk om draagvlak niet als doel op zich na te streven, waarschuwt ze. De kans is groot dat democratische en substantiële redenen dan ondergeschikt raken en bedrijven of beleidsmakers een vooropgezet doel bij het publiek ‘erdoorheen willen drukken’. Dat is ethisch problematisch, omdat burgers dan niet gerespecteerd worden maar instrumenteel worden gebruikt. Bovendien werkt het vaak averechts omdat burgers dat niet zullen waarderen. Ethisch verantwoorde, emotioneel-morele deliberatie moet oprecht open zijn. Dat wil zeggen dat er echt naar burgers wordt geluisterd en dat de uitkomsten niet van tevoren vaststaan. Het moet mogelijk zijn dat een voorstel uit het bedrijfsleven of van de overheid wordt herzien op basis van ideeën, waarden en zorgen van burgers.

Raadsleden
Marije van den Berg, onderzoeker, adviseur en spreker op het gebied van (lokale) democratie, is bezorgd over rol en positie van de gekozen volksvertegenwoordigers. Bij de energietransitie worden majeure, strategische keuzes gemaakt op een regionale schaal, grotendeels zonder substantiële invloed van lokale volksvertegenwoordigers (laat staan individuele burgers). Er is een gebrek aan democratische kwaliteit, terwijl verantwoordelijkheid en dus zeggenschap juist heel breed moeten worden gedeeld, anders gaat het niet lukken met de transitie.

Raadsleden zijn zelden scherp genoeg in hun oordeel over processen. Ze hebben altijd wel een gevoel, mening of opvatting over de kwaliteit van de besluitvormingsprocessen en de participatie in hun gemeente, maar ze moeten de colleges van B&W veel helderder kunnen aansturen op hogere democratische kwaliteit van gemeentelijke processen. In het essay Verantwoordelijkheid en zeggenschap democratisch goed delen is Van den Berg kritisch over de huidige praktijk: ‘We gebruiken de gemeenteraad in de meeste besluitvormingstrajecten over de energietransitie slechts als veredelde stempelpost.’ Gemeenteraden moeten daarom aan de bak en aan de energietransitie niet alleen klimaat-technische, maar ook stevige democratische eisen stellen.

Prosociaal
Alle discussies over het creëren van draagvlak gaan te veel uit van de passieve burger, ziet Tine de Moor, hoogleraar Sociale en Economische Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zij ziet de ‘prosociale burger’ die veel actiever is, zelf het initiatief neemt en de aanvliegroute van het beleid wil meebepalen.

Daar wordt nu nog te weinig mee gedaan, betoogt De Moor in het essay De prosociale burger als copiloot. In het huidige beleid rond het betrekken van burgers zit niet veel structuur en er wordt weinig nagedacht over de keuze welk participatie-instrument in een gegeven situatie het best geschikt is. Dat levert een onoverzichtelijke situatie op, voor burgers, beleidsmakers én ambtenaren. Het rondstrooien van wat extra ‘participatiesterrenstof’ is, hoe goed bedoeld ook, niet voldoende om dit probleem aan te pakken.

We moeten toe naar een prosociaal denkende samenleving met burgers die voorbij de eigen voordeur denken, stelt De Moor. De energiecollectieven kunnen daar een goede rol bij spelen: doordat ze meer betrokken zijn bij het beslissingsproces, worden burgers ertoe aangezet om te gaan denken over de aard van de problemen, maar ook over de oplossingen. Deze actieve burgerbetrokkenheid heeft als mogelijke bijvangst dat burgers prosociaal leren denken.

Aan gemeentebesturen de taak om een integraal burgerbetrokkenheidsplan te maken – niet alleen voor de energietransitie, maar ook voor andere veranderingen in de samenleving waar betrokkenheid van burgers een beter beleid kan opleveren.

Naar aanleiding van deze reeks essays zijn ook podcasts opgenomen, waarin journalist Maurits van den Toorn in gesprek gaat met deskundigen over de in het essay ter sprake gebrachte materie. U kunt deze podcasts hier beluisteren

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *