Tellen en vertellen

Gemeenten voeren sinds 2015 hun eigen beleid in het sociaal domein. De ambities achter deze decentralisaties zijn groot: gemeenten zouden het beter doen dan het rijk, omdat ze dichter bij de burger staan. Wordt die ambitie waargemaakt? Om dat te weten moet je meten.

De gemeente Borger-Odoorn is een typische plattelandsgemeente: zo’n 26.000 inwoners verspreid over 26 dorpen, met uitdagingen door krimp, een toenemende zorgvraag mede door vergrijzing en een teruglopend aanbod van voorzieningen. Alle werkzaamheden in het sociaal domein heeft de gemeente ondergebracht in een stichting, die de brede problematiek integraal aanpakt, vertelt Heleen Schut, projectleider Sociaal Domein in de gemeente. De stichting heeft drie interdisciplinaire teams van sociaal werkers. ‘Zij kijken met inwoners welke zorg nodig is en dat is elke keer maatwerk. Als een oude dame eenzaam is, kan zij naar een voorziening als de dagopvang, maar de sociaal werker kan haar ook in contact brengen met de vrijwilligersclub van de PlusBus. Als deze dame dankzij de PlusBus weer onder de mensen komt en daardoor minder eenzaam is, dan heeft dat voor ons de voorkeur. We willen mensen zoveel mogelijk ondersteunen vanuit hun eigen sociale netwerk of met algemene voorzieningen.’

Een van de ideeën achter de decentralisaties in het sociaal domein is dat gemeenten hun inwoners kennen en dat ze kunnen voorkomen dat problemen uit de hand lopen. Door vroegtijdig in te grijpen zou specialistische en dure hulp minder nodig zijn. De kosten zouden daardoor dalen. Gebeurt dat in Borger-Odoorn? Volgens Schut is het nog te vroeg om dat te weten: ‘De afgelopen twee jaar hebben we gewerkt aan de transformatie van het sociaal domein. Door het overgangsrecht en ook doordat we bijvoorbeeld zijn overgegaan naar een nieuw registratie- en administratiesysteem was het niet goed mogelijk om een nulmeting te doen. Ik denk dat we blij mogen zijn als we in 2017 alle cijfers helder hebben, zodat we dat als nulmeting kunnen gebruiken. Vanaf dan kunnen we gaan vergelijken.’

De gemeente haalt de cijfers over het sociaal domein uit het eigen registratie- en administratiesysteem, bijvoorbeeld over indicaties voor jeugdzorg en Wmo. Deze cijfers vult de gemeente aan met informatie over de kwaliteit van de geboden zorg. Schut: ‘We vinden het erg belangrijk dat onze inwoners de ondersteuning van de sociaal werkers waarderen. Dat meten we, onder meer met het onderzoek De Menselijke Maat. Ook hebben we een maatschappelijke kosten- en baten­analyse gedaan, waarin het maatschappelijk rendement van de inzet van de sociale teams is onderzocht.’

Dashboard
Alle informatie wordt samengebracht in een dashboard, dat – zo is de ambitie – actueel inzicht geeft in de resultaten in het sociaal domein. Daarmee kan de gemeente trends ontdekken en beoordelen of bepaald beleid heeft gewerkt. Het dashboard dient ook als ‘praatplaat’ voor het overleg over het sociaal domein met de gemeenteraad, dat twee keer per jaar plaatsvindt. Daarin combineert gemeente Borger-Odoorn ‘tellen en vertellen’, zegt Schut. ‘Cijfers alleen zeggen niet zoveel, het gaat om de werkelijkheid achter de cijfers. Daarom worden de cijfers tijdens de bijeenkomsten met de gemeenteraad aangevuld met verhalen van cliënten en zorgverleners.’

Zoals Borger-Odoorn ontwikkelen veel gemeenten hun eigen manieren voor monitoring in het sociaal domein, vertelt Janneke Vosse, projectleider Monitoring in het sociaal domein bij het Kwaliteitsinstituut Nederlandse Gemeenten (KING). Gemeenten combineren veelal landelijke onderzoeken en meetmethoden, zoals het cliëntervaringsonderzoek Wmo, met instrumenten als de zelfredzaamheidsmatrix en De Menselijke Maat. ‘We zien gemeenten ook veel zogeheten zachte aspecten, zoals verhalen van cliënten, combineren met technische toepassingen, zoals data-analyse. Gemeenten doen dat niet op zichzelf, ze gebruiken instrumenten die landelijk en lokaal door andere gemeenten zijn ontwikkeld. Er zijn daarnaast allerlei samenwerkingsverbanden van gemeenten en andere partijen waarin men innoveert om te komen tot betere zorg en het monitoren daarvan.’

Goede manieren
De Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein, die door VNG en KING is ontwikkeld en onderdeel is van Waarstaatjegemeente.nl, biedt gemeenten een beeld van hun positie ten opzichte van andere gemeenten. Vosse: ‘De monitor moet nog wel verder worden ontwikkeld, want hij sluit nog onvoldoende aan bij de transformatie die gemeenten doormaken naar een integrale aanpak.’
‘De cijfers in de monitor gaan over de voorzieningen in Wmo, Jeugdwet en Participatiewet en komen uit de verkokerde wereld van voor de decentralisaties,’ aldus Vosse. ‘Ze geven daardoor geen beeld van de resultaten of van collectieve voorzieningen, terwijl gemeenten dat juist graag willen meten en nodig hebben voor hun integrale aanpak.’

Het is de bedoeling dat de monitor de komende jaren wordt aangevuld met informatie uit onder meer enquêtes en big data-analyse. ‘Ook gaan we gemeenten meer bij elkaar brengen, zodat zij hun kennis over monitoring nog meer kunnen delen en van elkaar kunnen leren. We zien een grote behoefte bij gemeenten om dit te doen, want ze zijn allemaal op zoek naar goede manieren om hun resultaten in het sociaal domein inzichtelijk te maken, zodat ze beter kunnen sturen en ontwikkelen.’

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *