Het vertrouwen van Nederlanders in politici en de Tweede Kamer is gedaald naar het laagste niveau sinds het CBS dit meet. In 2025 had nog maar 21 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder veel of tamelijk veel vertrouwen in politici. Het vertrouwen in de Tweede Kamer kwam uit op 25 procent. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek op basis van de enquête Sociale samenhang en welzijn.
Volgens het CBS is vooral het vertrouwen in landelijke politieke instituties verder weggezakt. In 2020, het eerste jaar van de coronaperiode, lag het vertrouwen in politici en de Tweede Kamer nog op het hoogste punt sinds 2012. Daarna zette een vrijwel jaarlijkse daling in. In 2020 had bijna 40 procent vertrouwen in politici en ruim 53 procent in de Tweede Kamer. In 2025 is dat gedaald naar respectievelijk 21 en 25 procent.
Het beeld is niet voor alle politieke instituties hetzelfde. Het vertrouwen in de gemeenteraad bleef relatief hoog: 55 procent van de 15-plussers gaf aan daar vertrouwen in te hebben. Ook het vertrouwen in de Europese Unie, 52 procent, en in ambtenaren, 47 procent, bleef ongeveer gelijk ten opzichte van een jaar eerder.
Jongeren hebben vaker vertrouwen in politieke instituties dan oudere leeftijdsgroepen. Van de 15- tot 25-jarigen had 33 procent vertrouwen in politici en 34 procent in de Tweede Kamer. Het vertrouwen in de EU lag onder jongeren zelfs op 70 procent. Bij 65- tot 75-jarigen is het vertrouwen het laagst: 15 procent vertrouwt politici en 21 procent de Tweede Kamer.
Ook regionaal zijn de verschillen groot. Het CBS berekende het algemene politieke vertrouwen door het vertrouwen in ambtenaren, politici, Tweede Kamer en EU samen te nemen. In 2025 had gemiddeld 40 procent vertrouwen in deze instituties. Over de periode 2016 tot en met 2025 was dat vertrouwen het laagst in het noordoosten van Nederland. In Oost-Groningen kwam het uit op 31 procent, in Zuidoost-Drenthe op 32 procent en in Zuidwest-Drenthe op 34 procent.
Het hoogste politieke vertrouwen werd gemeten in Zuidwest-Overijssel, de agglomeratie ’s-Gravenhage, Het Gooi en Vechtstreek en de agglomeratie Leiden en Bollenstreek. In al deze regio’s lag het vertrouwen op 45 procent.
