Regionaal beleid moet rekening houden met honkvaste jongeren

17 aug 2026
Regio, dorp, regionaal, molen
Pixaby/Helen Jank

Gemeenten, provincies en Rijk kunnen bij regionaal beleid niet vanzelfsprekend uitgaan van grote arbeidsmobiliteit. Gemiddeld woont tachtig procent van de jongeren op 28-jarige leeftijd nog in de provincie waar zij opgroeiden. Meer dan de helft woont dan zelfs nog in dezelfde gemeente. Dat blijkt uit onderzoek van Femke Cnossen en Harm-Jan Rouwendal, gepubliceerd door ESB. Vooral mbo-opgeleiden blijven vaak dicht bij hun oorspronkelijke woonplaats. Volgens de onderzoekers heeft die beperkte mobiliteit gevolgen voor regionaal economisch beleid en de beschikbaarheid van personeel.

De onderzoekers vergeleken de woonplaats op zestienjarige leeftijd met de woonplaats op latere leeftijd. De meeste verhuizingen vinden tussen het achttiende en 22e levensjaar plaats. Rond 28 jaar stabiliseert de regionale mobiliteit. Meer dan zestig procent van de mbo-opgeleiden woont dan nog in de oorspronkelijke gemeente. Onder wo-opgeleiden ligt dat aandeel rond dertig procent. Hbo- en wo-opgeleiden vertrekken vaker uit niet-stedelijke gemeenten naar grotere steden. Volgens de onderzoekers maakt die sterke regionale binding lokaal onderwijs belangrijk voor regionale arbeidsmarkten.

Grote verschillen

Gemiddeld woont 55 procent van de jongeren op 28-jarige leeftijd nog in de oorspronkelijke gemeente. Achter dat gemiddelde zitten grote verschillen. Urk kent met tachtig procent het hoogste aandeel blijvers. Amsterdam volgt met 74 procent en Rotterdam met 71 procent. Bloemendaal kent met veertien procent juist het laagste aandeel. Ook wanneer jongeren verhuizen, blijven zij vaak in de omgeving. Gemiddeld woont tachtig procent op 28-jarige leeftijd nog binnen de oorspronkelijke provincie. Die verschillen laten zien dat regionale mobiliteit per gebied sterk uiteenloopt.

Gevolgen voor beleid

De onderzoekers wijzen erop dat economische plannen soms veronderstellen dat werknemers naar nieuwe banen zullen verhuizen. De cijfers ondersteunen die aanname niet overal. Dat speelt bijvoorbeeld in groeiregio’s zoals Brainport Eindhoven en Wageningen Foodvalley. Zulke regio’s kunnen volgens de onderzoekers niet automatisch rekenen op voldoende werknemers van buitenaf. Dat geldt vooral voor technisch mbo-personeel. Ook de energietransitie vraagt veel vakmensen voor installatie, onderhoud en beheer. Daarnaast spelen personeelstekorten in zorg en onderwijs. Regionale economische ambities moeten daarom rekening houden met de beschikbare beroepsbevolking binnen de eigen regio.

Onderwijs en arbeid

Voor perifere gebieden is de beperkte mobiliteit extra relevant. Deze regio’s zijn sterker afhankelijk van hun eigen onderwijsaanbod en lokaal opgeleid personeel. Tegelijkertijd vertrekken hogeropgeleiden relatief vaak naar stedelijke gebieden. Daardoor kan volgens de onderzoekers een braindrain ontstaan. Dat verkleint het beschikbare menselijke kapitaal in bepaalde regio’s. Investeringen in lokale opleidingen en werkgelegenheid kunnen daarom helpen om talent te behouden. De onderzoekers benadrukken dat beleid beter rekening moet houden met verschillen in mobiliteit tussen regio’s.

Bestuurlijke opgave

De cijfers maken duidelijk dat regionale ontwikkeling niet alleen draait om het aantrekken van bedrijven of banen. Ook de beschikbaarheid van mensen binnen de regio speelt een belangrijke rol. Volgens de onderzoekers verdient investeren in krimpregio’s daarom eveneens aandacht. Economische kerngebieden stimuleren blijft belangrijk, maar regionaal beleid vraagt ook om oog voor lokaal menselijk kapitaal. De sterke binding van jongeren aan hun omgeving maakt dat vraagstuk relevant voor onderwijs, arbeidsmarkt en economische ontwikkeling.

Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Meer nieuws