Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werkt samen met Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding (RDDI) aan beleid voor betekenisvolle openbaarmaking. Daarbij staan niet de beleidsmakers centraal, maar juist de praktijkvoorbeelden van ervaringsdeskundigen. Om die kennis en praktijkervaring systematisch te benutten, buigen vijf werkgroepen zich sinds eind vorig jaar over uiteenlopende onderwerpen die voortkomen uit de invoeringstoets Wet open overheid (Woo).
De kern van het openbaarheidsbeleid is dat informatie niet alleen openbaar wordt gemaakt, maar dat dit ook betekenisvol gebeurt. Een open overheid houdt ook in dat je samenwerkt met anderen, zodat producten betekenisvol worden, Beleidsadviseur Sarah Vlootman (BZK) legt uit: ‘We maken actief openbaar wat de samenleving interessant of belangrijk vindt. Burgers hebben daarnaast het recht een Woo-verzoek te doen, en dat recht is ruim. Het is in dat kader niet aan ons om te bepalen wat betekenisvol is en wat niet. We blijven de vragen vanuit de samenleving beantwoorden. We willen die verzoeken daarnaast zo betekenisvol mogelijk openbaar maken, dat kan bijvoorbeeld door duiding te geven in het besluit, door een tijdlijn mee te geven of informatie te koppelen aan eerder openbaar gemaakte documenten.’
Collega Rolien van den Raadt vult aan: ‘Het gaat erom dat je als overheid niet alleen documenten doorschuift, maar er ook voor zorgt dat de verzoeker er echt iets mee kan. Betekenisvol openbaar maken vraagt dat je de informatie inbedt in een bredere context.’
Vier werkgroepen, vier thema’s
Binnen het RDDI-project Openbaarmaking & Informatiehuishouding zijn in opdracht van programma Open Overheid (PROO) werkgroepen met vertegenwoordigers vanuit verschillende overheidsorganisaties opgericht. Zij richten zich op de inspanningsverplichting actieve openbaarmaking, de Woo-contactpersoon, misbruik en oneigenlijk gebruik van de Woo, en het uniforme Woo-proces. Collega’s van Vlootman en Van den Raadt hadden al eerder goede ervaringen opgedaan met het werken met werkgroepen bij het ontwerpen van de werkdefinities voor de verplichte actieve openbaarmaking. ‘Daar zijn toen werkgroepen samengesteld met deelnemers uit allerlei overheidsorganisaties. Dat is erg goed bevallen. Dus toen de invoeringstoets naar de Woo werd gedaan, kregen we het idee om weer werkgroepen in te zetten.’
Elke werkgroep telt tien tot twaalf deelnemers uit een breed spectrum van bestuursorganen: gemeenten, provincies, waterschappen, departementen en de VNG. Ook is bewust gekozen voor variatie in expertise, van juristen tot procesdeskundigen, ervaring en leeftijd. Volgens Vlootman is die mix onmisbaar: ‘Wij zijn beleidsmakers, maar geen uitvoerders. In de werkgroepen zitten de mensen die straks met onze handreikingen en producten moeten werken. Hun praktijkvoorbeelden maken onze producten sterker. Het dwingt ons om steeds te checken of ons beleid aansluit bij de werkelijkheid. In plaats van alleen te praten over hoe die uitvoerders dat mogelijk kunnen gaan doen, of wat ze helpt, is het beter om die mensen aan tafel te hebben. Het houdt ons scherp.’
Een treffend voorbeeld is de Woo-contactpersoon. Van den Raadt: ‘We gingen er aanvankelijk vanuit dat dit een functie zou zijn die veelal door een persoon wordt uitgevoerd. Uit de werkgroep kwam echter meteen de boodschap dat dit vaak een taak is die meerdere medewerkers, naast hun andere werk, vervullen. Dat inzicht helpt om handreikingen te maken die ook echt toepasbaar zijn.’
*Dit is het eerste deel van een artikel uit de nieuw verschenen Publiek Denken 58: Betekenisvolle transparantie, lees hier verder.
