DuurzaamDoor

Essay 'Eerlijk is het duurzaamst'

DuurzaamDoor en Publiek Denken publiceren Een zoektocht naar draagvlak.  In deze serie van vijf essays en podcasts gaan wetenschappers, ambtenaren en andere deskundigen op zoek gaan naar het draagvlak onder en de acceptatie van de energietransitie. De crux van de energietransitie is een eerlijke verdeling van lusten en lasten, betogen Rinie van Est en Kyra Delsing (Rathenau Instituut) in het essay Eerlijk is het duurzaamst. Om dat op een vertrouwenwekkende manier te kunnen doen is een productieve interactie tussen politiek en bestuur, markt en samenleving noodzakelijk. Behalve een essay is over dit onderwerp ook een podcast gemaakt. Hierin wisselt Rinie van Est van gedachten met wethouder van Zwijndrecht Jacqueline van Dongen en journalist Maurits van den Toorn over het creëren van duurzaam draagvlak voor de energietransitie.

Liever luisteren? Het essay wordt voorgelezen in deze podcast

De opwarming van de aarde bepaalt steeds meer de menselijke conditie. Als we niet oppassen, stijgen de temperaturen in deze eeuw met 3°C. Het leven op zo’n hete planeet is radicaal anders, met catastrofale gevolgen voor mens en natuur (Lynas 2007). De ondertekenaars van het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 willen dat het klimaat niet meer dan 1,5°C stijgt ten opzichte van het pre-industriële tijdperk (cf. IPCC 2018). Daarvoor zijn snel vergaande transities nodig, onder meer op het gebied van energie. Nu is nog geen 10 procent van onze energie duurzaam. Over 10 jaar moet onze energievoorziening voor de helft duurzaam zijn en in 2050 helemaal (EZ 2016). Die nuchtere cijfers zullen grote invloed hebben op de leefomgeving, het welzijn en de wijze van leven van Nederlanders. Positieve betrokkenheid van burgers is dus essentieel voor het slagen van de transitie naar een duurzame energiesamenleving.

Het gesprek over draagvlak en duurzame energie wordt vaak versmald tot de vraag of burgers accepteren dat bijvoorbeeld een windmolenpark in ‘hun achtertuin’ wordt geplaatst. Dit essay biedt een breed – van lokaal tot mondiaal – perspectief op de relatie tussen duurzame energie en draagvlak. Het ziet draagvlak als het resultaat van een proces van oordeelsvorming (cf. Graaf 2007; Hitzeroth & Megerle 2013). Via dat proces vormt een persoon of groep mensen op basis van criteria een oordeel over een bepaalde ontwikkeling op het gebied van duurzame energie, wat leidt tot een bepaalde reactie (zie Figuur 1). Hoe burgers reageren hangt zodoende samen met hun persoonlijke kenmerken (zoals opleiding, sociale positie en belangen) en percepties (zoals normen en waarden, innovatiebereidheid, visie op problemen en perceptie van voor- en nadelen van oplossingen). Mensen die het algemeen belang en gelijkheid hoog in het vaandel hebben, zijn bijvoorbeeld vaker voor duurzame energieopwekking in hun omgeving (Sposato & Hampl 2018). Naast kenmerken van diegenen die een oordeel vormen, spelen kenmerken van datgene waarover men een oordeel vormt en het proces van oordeelsvorming een rol.

Dit essay gaat eerst in op de vele wijzen waarop mensen kunnen reageren op ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie. Daarna beschrijven we wie waarover oordeelt en welke criteria daarbij een rol spelen. Omdat draagvlak het resultaat is van een beoordelingsproces, beschrijven we vervolgens drie kenmerken van een eerlijk beoordelingsproces. Tenslotte vatten we onze inzichten samen en trekken conclusies met betrekking tot de rol van burgers in de energietransitie.

Figuur 1.         Begrippenkader

1. Diverse reacties op duurzame energie

While ‘acceptance’ seems to involve a reaction to something – external – and one which is mainly characterized by passivity and non-decision, ‘support’ seems more clearly to be action-oriented, to imply agency for and engagement with something. Batel et al. (2013, 2)

Veel mensen zijn inmiddels actief betrokken bij de energietransitie. Die betrokkenheid varieert van het kopen van groene stroom en het installeren van zonnepanelen op het eigen dak tot klimaatspijbelen en het opzetten van een duurzame energiecoöperatie die een wijkaccu beheert. Het PBL sprak in dit kader van de ‘energieke samenleving’ (Hajer 2011). Maar mensen kunnen ook op andere manieren omgaan met duurzame energieplannen, zoals bijvoorbeeld: onverschillig blijven, goedkeuring geven, actief meedoen of juist in verzet komen. Zoals gezegd, komen de acties en reacties van mensen niet uit de lucht vallen; ze zijn het resultaat van oordelen van een persoon of groep mensen over een ontwikkeling op het gebied van duurzame energie, bijvoorbeeld een windpark, laadpalen voor elektrische auto’s of wijkbatterij (cf. Ruelle & Bartels 1998).

Figuur 2 biedt een schematisch overzicht van diverse reacties op duurzame energie en daarmee diverse vormen van acceptatie, betrokkenheid en draagvlak. De figuur is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur over sociale of maatschappelijke acceptatie (social acceptance) van duurzame energie. Kraeusel & Möst (2012) definiëren maatschappelijke acceptatie als ‘een positieve houding ten aanzien van een kwestie op een bepaald tijdstip, die in een bepaalde opinie of in een bepaald gedrag wordt uitgedrukt, zoals goedkeuring, erkenning, toe-eigening.’ Acceptatie of non-acceptatie kan gebaseerd zijn op gedegen kennis en bewuste overtuigingen, maar ook op gewoonten, desinformatie, opportunisme of een gebrek aan interesse of alternatieven. In het eerste geval zal het draagvlak of gebrek daaraan stabieler zijn (Upham et al. 2015). Het beoordelen van een bepaalde kwestie kan echter ook leiden tot afkeuring en verzet. Acceptatie is dus één reactie, naast vele mogelijke andere.

Draagvlak is nauw verwant met acceptatie. Draagvlak is letterlijk een vlak waarop een last steunt. Denk aan de fundering van een huis. Bij sociaal draagvlak gaat het om steun – of het gebrek daaraan – van individuen, groepen, organisaties of het politieke systeem voor een bepaalde ideologie, beleidsplan of project. Ruelle en Bartels (1998:405) omschrijven draagvlak als ‘een door belangen ingegeven evaluatie van de politieke situatie door doelgroepen van een beleid, waaraan een doelgroep actieve of passieve steun verleent of juist weerstand biedt’. Deze definitie toont de rol van individuele en publieke oordeelsvorming aan en geeft weer dat het resultaat daarvan een positief, maar ook een negatief, draagvlak kan zijn.

De mate van draagvlak kan veranderen, is zelden honderd procent en is in sommige situaties lastig te bepalen. In bepaalde gevallen bestaan er heldere procedures voor wie op welke wijze de mate van steun bepalen. In onze representatieve democratie kiest de bevolking een aantal vertegenwoordigers die het bestuur uitvoeren. Wat voldoende parlementair draagvlak is ligt procedureel vast. Zo werkt men normaliter in de Eerste en Tweede Kamer met een gewone meerderheid, maar voor de wijziging van de Grondwet is een tweederde meerderheid nodig. In veel andere besluitvormingssituaties is het bepalen van draagvlak – oftewel antwoord geven op vragen als: hoe meet je draagvlak, wat tel je als steun (afwezigheid van zichtbaar protest of alleen positieve betrokkenheid) en wie bepaalt hoeveel draagvlak voldoende is – veel minder eenduidig.

Figuur 2.         Diverse reacties op duurzame energie: acceptatie, betrokkenheid en draagvlak

Individuele opinies of publieke oordelen kunnen door de tijd veranderen en zodoende gaat het steeds om een momentopname (cf. Aitken 2010). Aan de linkerkant van Figuur 1 is het beoordelingsproces nog niet voltooid of zelfs niet op gang gekomen en is dus het draagvlak nog onbepaald (oranje blokken). Reacties op duurzame energieplannen en -projecten kunnen variëren van onwetendheid, apathie en geen mening tot en met onzekerheid, interesse en behoefte aan informatie. Na een eerste oriëntatie en identificatie van kwesties kunnen mensen neigen tot acceptatie of non-acceptatie onder bepaalde voorwaarden (tweede oranje blok van links) (vgl. Hitzeroth & Megerle 2013).

Aan de rechterkant (groene en rode blokken) heeft het beoordelingsproces tot een bepaalde keuze (houding en/of gedrag) geleid, waarmee het draagvlak bepaald is (vgl. Hay 2019). Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen reactieve en passieve acceptatie en actieve betrokkenheid; dat is ‘de kracht die individuen verbindt aan het ondernemen van actie’ (Buijs et al. 2012, 33). Zowel draagvlak, acceptatie en betrokkenheid kunnen positief en negatief zijn. Het groene kwadrant linksboven typeert mensen met een positieve houding, die op passieve wijze het plan van anderen aanvaarden. Het rode kwadrant linksonder typeert mensen met een negatieve houding, maar die hun weerstand niet in daden omzetten. Passieve (non-)acceptatie kan simpelweg verwijzen naar de afwezigheid van een oppositionele reactie (cf. Upham et al. 2015).

Het groene kwadrant rechtsboven typeert mensen die actief willen bijdragen aan de energietransitie. Dit kan variëren van het protesteren voor een beter klimaatbeleid tot het opzetten van energiecoöperaties die windparken ontwikkelen. Als de burger het initiatief neemt, verandert de rol van de overheid. Bij positieve betrokkenheid van burgers gaat het niet langer om de vraag hoe de overheid draagvlak kan genereren voor haar (top-down) beleid, maar hoe de overheid initiatieven van burgers in de energieke samenleving kan ondersteunen. Betrokkenheid van burgers bij duurzame energie kan ook tot actieve weerstand leiden. Deze kan variëren van het voorstellen van alternatieve beleidsplannen en klimaatspijbelen tot het bedreigen van windparkbouwers.

2. Wie of wat oordeelt hoe en waarover?

The massive event that we need to sum up and absorb in fact concerns the power to act of this Terrestrial, which is no longer the milieu or the background of human action. Bruno Latour (2018, 40-41)

De literatuur onderscheidt drie centrale processen van sociale acceptatie: sociaal-politieke acceptatie door politiek en bestuur, acceptatie door de markt en acceptatie door de gemeenschap (Wüstenhagen et al. 2007; Wolsink 2018). Bij sociaal-politieke acceptatie gaat het om de acceptatie van bijvoorbeeld nationaal beleid op het gebied van duurzame energie. Bij acceptatie door de markt gaat het om acceptatie van duurzame energietoepassingen door aanbieders en gebruikers. Denk bijvoorbeeld aan ondernemers die besluiten wijkbatterijen op de markt te brengen, of consumenten die kiezen voor driedubbel isolatieglas. Op gemeenschapsniveau gaat het om acceptatie van een concreet energieproject, zoals een zonnepark of project voor opslag van CO2. De literatuur laat zodoende de complexiteit van het draagvlakspel over duurzame energie zien. Hieronder werken we, op basis van inzichten uit de bestuurskunde en de wetenschap- en technologiestudies, uit op welke schaalniveaus dat spel plaatsvindt, wie het spelen, waarover het wordt gespeeld en welke oordeelscriteria daarbij een rol spelen.

Wie of wat oordeelt op basis van welke criteria?
Wüstenhagen et al. (2007) laten zien dat bij de beoordeling van ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie de volgende drie dimensies een rol spelen: 1) technologie en economie, 2) politiek en 3) sociaal-cultureel (zie Tabel 1). Daarbij gaat het om marktpartijen die inschatten in hoeverre een innovatie technologisch en economisch haalbaar is. Bij technologische haalbaarheid gaat het om de vraag hoe ver de betreffende technologie reeds is ontwikkeld, welke alternatieven er zijn en hoe een beoogd project er precies uit moet komen te zien. Bij economische haalbaarheid gaat het om de vraag of een bepaald duurzaam energieproject financierbaar is en of de investering binnen de gewenste termijn kan worden terugverdiend. Bij de politieke dimensie gaat het om de vraag in hoeverre politici en bestuurders een bepaalde ontwikkeling vanuit politiek-bestuurlijk oogpunt wenselijk vinden. En bij de sociaal-culturele dimensie gaat het om de vraag of burgers een ontwikkeling vanuit maatschappelijk perspectief wenselijk achten.

Bij (duurzame) energie schreeuwt een vierde dimensie om aandacht: ecologie. Het centrale criterium daarbij is ecologische haalbaarheid, oftewel duurzaamheid. Dit betekent ten eerste dat natuurlijke ecosystemen voor onbepaalde tijd divers en productief blijven en dat mensen de natuurlijke hulpbronnen van de toekomstige generatie niet in gevaar mogen brengen. Het besef dat de huidige mondiale uitstoot van broeikasgassen de planetaire ecologische grenzen, waarvan ons leven afhankelijk is, in ruime mate overschrijdt (Rockström et al. 2009; Raworth 2017), vormt de morele grondslag voor de energietransitie. Door de klimaatcrisis is de vraag of een bepaalde vorm van energie duurzaam is een hele pertinente geworden. Ecologische haalbaarheid kan ook een rol spelen bij lokale duurzame energieprojecten, denk aan de invloed van een zonnepark op de bodemkwaliteit of de impact van windmolens op vogels.

Ten tweede gaat ecologische haalbaarheid over de manier waarop mensen hun natuurlijke leefomgeving ervaren (cf. Thayer 1994). Men spreekt van topofilie, de liefde van mensen voor een bepaalde plaats of omgeving (Tuan 1974). Energiewinning kan de band die mensen hebben met hun omgeving versterken, maar ook onder druk zetten. Omdat duurzame energie vaak dicht in de buurt van waar mensen wonen gewonnen wordt, kan ze op vele manieren de woon- en leefomgeving beïnvloeden: denk aan impact op het landschap, geluid, trillingen en straling. Met name bij windenergie op land kunnen beide aspecten van ecologische haalbaarheid – de behoefte om CO2 te reduceren versus landschapsbescherming – met elkaar botsen (Warren et al. 2005).

Tabel 1.           Overzicht van wie of wat waarover oordeelt op basis van welke criteria (mede geïnspireerd op Wüstenhagen et al. 2007)

Dimensie van oordeels-vorming Ecologie Technologie en economie Politiek Sociaal-cultureel
Type sociale acceptatie Door ‘mens en natuur’ Door de markt Sociaal-politiek Door de samenleving
Oordeelscriteri-um Ecologische haalbaarheid (duurzaamheid en topofilie) Technologische en economische haalbaarheid Politiek-bestuurlijke wenselijkheid Maatschappelij-ke wenselijkheid
Wie of wat oordeelt? Mens als kind van de natuur en de aarde Marktpartijen (producenten, consumenten) Politici en bestuurders Burgers

De mens bepaalt in hoeverre we het milieu exploiteren en vervuilen en op welke manier we ingrijpen in het landschap. Daar waar we ecologische grenzen zien en accepteren, krijgt onze leefomgeving een actievere rol. De opwarming van de aarde toont dat we de natuur niet meer kunnen zien als iets dat los staat van de mens. Ulrick Beck (1996 [1986], 107) stelde al in de jaren 80: ‘Natuur kan niet meer zonder maatschappij, maatschappij niet meer zonder natuur worden begrepen.’ Bruno Latour (2019) betoogt dat we als aardbewoners onze leefomgeving niet meer simpelweg als de achtergrond van ons handelen mogen beschouwen. Hij stelt dat in het Antropoceen – een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de aarde waarin de mens tot de beslissende ecologische factor is geworden – de wereld en de plek waar we leven (Terrestrial) een nieuwe politieke actor geworden is (Latour 2019). Vanuit deze erkenning heeft Nieuw-Zeeland in 2017 bijvoorbeeld, als eerste land ter wereld, de rivier Whanganui de juridische status van een persoon toegekend.

Wat wordt er beoordeeld en waar vindt deze beoordeling plaats?
Wüstenhagen et al. (2007) laten zien dat het duurzame energieobject dat wordt beoordeeld, varieert van bedrijfsplannen tot nationale beleidsplannen en lokale energieprojecten. Bij de beoordeling daarvan speelt ook de vraag wie of welke organisatie achter welke plannen zit. Aansluitend bij de vier genoemde dimensies van oordeelsvorming gaat het om oordelen over objecten op het gebied van beleid en politiek, economie en technologie en dus ook ecologie, zoals de opwarming van de aarde of de impact van een windpark op het landschap. Gerelateerd hieraan spelen bij het beoordelen diverse actoren een rol: politici en bestuurders, ondernemers en consumenten, burgers en, zoals hierboven is betoogd, onze leefomgeving. Voor al die actoren staat het vraagstuk van draagvlak, acceptatie en betrokkenheid op het spel (cf. Wüstenhagen et al. 2007, 2686).

Het beoordelingsspel wordt op alle schaalniveaus gespeeld: van individueel (woning, gezin), lokaal (straat, wijk, gemeente) en regionaal (energieregio’s, provincies, waterschappen) tot nationaal, Europees en mondiaal niveau. Tabel 2 toont voorbeelden van objecten van oordeelsvorming op diverse schaalniveaus. Dat overzicht leidt tot vier inzichten. Ten eerste zien we dat het fenomeen draagvlak op het gebied van duurzame energie divers en complex is en op vele schaalniveaus speelt.

Ten tweede zien we dat succesvol handelen op het ene gebied (niveau en/of domein) afhangt van wat er gebeurt op een ander gebied. Het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 gaf aanleiding voor het Europese energiebeleid, waar Nederland, onder andere via het Energieakkoord, invulling aan probeert te geven. Belemmeringen in nationale wetgeving kunnen een negatieve invloed hebben op het succes van lokale initiatieven (Kayhan 2014). De afhankelijkheid kan ook de andere kant uitwerken. Zo inspireerde de individuele schoolstaking van Greta Thunberg op 20 augustus 2018 de organisatie van diverse landelijke stakingen door Youth For Climate in Europa.

Tabel 2.           Enkele voorbeelden van ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie op diverse schaalniveaus waar mensen een oordeel over vormen (objecten van oordeelsvorming)

Schaalniveau Dimensie van oordeelsvorming
  Ecologie Technologie en economie Politiek Samenleving
Mondiaal Opwarming van de aarde Investering China in zonne-energie Klimaatverdrag van Parijs Extinction Rebellion Global
Europees Opwarming van Europa Investeringsfonds van 1 biljoen euro Europese Green Deal Schoolstakingen Youth For Climate
Nationaal Zeespiegelstijging Noordzee Topsector Energie Energieakkoord Klimaatzaak Urgenda tegen Nederlandse Staat
Regionaal Impact windmolens Drentse Veenkoloniën Capaciteitstekort regionale elektriciteitsnetten Regionale energiestrategie Tegenwind Veenkoloniën
Lokaal Impact zonnepark op vruchtbaarheid grond Duurzame energieprojecten Plaatselijke energiebesparings-lening Energiecoöperaties
Individueel Binnenhuisklimaat Consument kiest driedubbel glas Politiek kiesgedrag Greta Thunberg

Ten derde, zien we dat draagvlak op alle schaalniveaus en sociale domeinen problematisch was en is (cf. Ganzevles & Est 2012). Het verkrijgen van sociaal en politiek draagvlak voor internationaal en nationaal klimaatbeleid is bijvoorbeeld een lang, lastig en onzeker proces. Dit komt omdat er de facto heel veel politieke, economische en maatschappelijke steun is voor onze bestaande niet duurzame manier van leven. De gevestigde tegenmachten zijn dus enorm, terwijl de toekomst per definitie onzeker is. Als gevolg is, 30 jaar na de oprichting van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), (inter)nationaal politiek en maatschappelijk draagvlak voor klimaatbeleid nog steeds niet vanzelfsprekend. De ontkenning van het klimaatprobleem door de regering van Trump, klimaattwijfel bij populistische partijen in Europa en Nederland, de forse lobby van de fossiele energie-industrie, de moeizaam verlopen klimaattop in Madrid in 2019 en de acties van Urgenda en Extinction Rebellion laten dat zien.

Ten vierde, heeft het ecologisch bewustzijn dat de mens van grote invloed is op de huidige opwarming van de aarde grote consequenties voor onze kijk op burgerschap. Door deze existentiële bedreiging krijgt namelijk iedere lokale menselijke beslissing en handeling (pak ik de fiets of de auto, een plastic of papieren bekertje, eet ik vlees of groente, ben ik voor of tegen windenergie in mijn gemeente) een morele lading. Alle mensen op aarde zitten opgescheept met het mondiale klimaatprobleem en vormen zodoende een wereldwijde risicogemeenschap (Beck 1996). Het perspectief van lokaal of nationaal burgerschap is dus niet langer toereikend. Holemans (1999) pleit voor ecologisch burgerschap, waarbij mensen hun identiteit opbouwen in relatie tot hun medemensen en hun natuurlijke omgeving. Aangezien ecologische problemen vaak grensoverschrijdend zijn, zijn mensen lid van verschillende politieke gemeenschappen en is hun burgerschap meervoudig. De complexe uitdaging voor burgers is te handelen als lokale ecologische burgers en ecologische wereldburgers. Daarom is het van belang dat burgers het mondiale klimaatprobleem en lokale oplossingen daarvoor onderschrijven. Het overgrote deel van de Nederlanders maakt zich zorgen over de opwarming van de aarde (Ettema 2007) en zien de noodzaak van de energietransitie (Ridder et al. 2019). Maar dit betekent nog niet dat er overeenstemming bestaat over de middelen om die transitie te bereiken (Vringer & Carabain 2019).

3. Hoe kan een eerlijk oordeel tot stand komen?

Alles wat je voor mij doet, zonder mij, doe je tegen mij. Mahatma Gandhi

Het is vaak complex om individueel of collectief tot een oordeel te komen over de voor- en nadelen van duurzame energietechnologie omdat daarbij – zoals hierboven is aangegeven – vier soorten onzekerheden of vragen spelen: 1) economisch en technologisch, wat en voor wie zijn de kosten en baten, hoe is het eigenaarschap geregeld (cf. Jobert et al. 2007); werkt de technologie en welk ontwerp is passend; 2) ecologisch, wat is bijvoorbeeld de visuele impact op de leefomgeving; 3) politiek; en 4) maatschappelijk. Om vertrouwenwekkend om te gaan met zulke inhoudelijke kwesties en onzekerheden en zo te komen tot een adequate beoordeling is een rechtvaardig proces nodig (Tops 1999; Est & Waes 2016). Deze paragraaf onderzoekt hoe een eerlijk oordeel tot stand kan komen.

Dat doen we met behulp van literatuur op het gebied van energierechtvaardigheid (energy justice). Een belangrijk principe is procedurele rechtvaardigheid, die gaat over eerlijke toegang tot en deelname aan besluitvormingsprocessen over de verdeling van de baten en kosten van (duurzame) energiesystemen (cf. Milchram et al. 2018). Burgers snappen dat elke beslissing vraagt om geven en nemen. Wanneer belanghebbenden begrip hebben voor het proces waarmee keuzes worden gemaakt, kan er draagvlak ontstaan, ook al voldoet de uitkomst niet aan (al) hun wensen (Graaf 2007). Met name wanneer beslissingen worden genomen die sommige delen van de gemeenschap ten goede komen ten koste van anderen, kunnen uitkomsten die als oneerlijk worden ervaren resulteren in protesten, beschadigde relaties en verdeelde gemeenschappen (Wüstenhagen et al. 2007).

Om te komen tot een eerlijke verdeling van lusten en lasten (verdelende rechtvaardigheid), en ook tot wijze ontwerpkeuzen, is een goede organisatie van inclusieve participatie, eerlijk en transparant kennisbeheer en een open ontwerpproces van het duurzame energieproject op basis van gedeelde waarden en normen van belang. Dit geldt zowel voor projecten die van buiten als van binnen een gemeenschap worden geïnitieerd.

Inclusieve participatie
Het is van belang dat alle relevante stakeholders hun zegje kunnen doen. Gesloten processen worden gezien als niet-democratisch en daarmee als niet-legitiem (Buijs et al. 2012: 21). Het is dus van belang dat de potentiële waarde van de standpunten van zowel (mogelijke) voor- als tegenstanders van duurzame energieprojecten wordt erkend. Participatie mag niet gezien worden als een middel om oppositie te overwinnen of te verzachten, maar als een waardevolle kans om meerdere gezichtspunten en kennisbronnen op te nemen (Aitken 2010).

Omdat het belangrijk is burgers zo vroeg mogelijk bij deze processen te betrekken, moeten er mogelijkheden voor hen zijn om te participeren (Herrewijnen 2017). De procedures daarvoor dienen begrijpelijk te zijn. Wanneer niet iedereen kennis over de procedures bezit, ontstaan er verschillen in de mate waarin burgers invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming (Putters 2019). Tijdens inspraakmomenten dienen burgers op een respectvolle manier erkend en gehoord te worden (“rechtvaardigheid als erkenning”). Op deze manier kunnen burgers zich informeren, hun wensen en zorgen uiten en mede vorm geven aan het betreffende project.

Eerlijk en transparant kennisbeheer
Om te komen tot een adequate identificatie van risico’s en kansen en een inschatting van de voor- en nadelen van een project, is kennis nodig. En omdat kennis macht is, is eerlijke toegang tot en delen van informatie en kennis cruciaal. Het oordeel van burgers over de rechtvaardigheid van beslissingen hangt sterk af van hoe potentiële risico’s worden gedefinieerd, hoe informatie over die risico’s wordt geproduceerd en hoe en door wie ze worden beheerd (Owens 2004). Wanneer burgers informatie en kennis missen om voor- en nadelen zelf voldoende in te schatten, worden ze afhankelijker van experts en overheden (Siegrist & Cvetkovich 2000). Vertrouwen in en interactie met experts en overheden worden dan kritische factoren bij de reactie van mensen op duurzame energieprojecten (Bronfman et al. 2012). Daarom is van belang dat burgers in staat worden gesteld om voldoende kennis te vergaren om zo op een volwaardige manier deel te kunnen nemen aan de dialoog. Dat vraagt om een eerlijk proces waarin de informatie van experts en burgers kritisch beoordeeld kunnen worden, gezamenlijk kansen en risico’s gesignaleerd en geanalyseerd kunnen worden en naar oplossingen gezocht kan worden, waarbij steeds oog en ruimte is voor het bespreken van mogelijk betere alternatieven. Een dergelijk proces dient de burger ook voldoende tijd te gunnen.

Open waardengedreven ontwerpproces
In het bijzonder wanneer investeerders en eigenaren van faciliteiten van buiten de gemeenschap komen, kan vertrouwen in hun doelen, houding en competentie een obstakel vormen (Wüstenhagen et al. 2007). Naast initiatieven voor het opzetten van energieprojecten van buiten de gemeenschap, komen lokale initiatieven steeds vaker voor (Kayhan 2014). Van zowel initiatiefnemers van buiten als binnen de gemeenschap wordt verwacht dat ze open staan voor diverse belangen en visies vanuit de samenleving en wensen en zorgen van burgers serieus nemen. Daarmee geven ze het signaal dat ze willen handelen in samenwerking met de samenleving. Door de dialoog tussen ontwikkelaars en lokale gemeenschappen verder te openen ontstaan er nieuwe kansen om geplande ontwikkelingen te verbeteren. Bij het ontwerp van een technologie dient rekening te worden gehouden met een diversiteit aan waarden en normen. Deze aanpak wordt ook value sensitive design genoemd (Friedman et al. 2006). Zo vindt de Stichting Vogelbescherming dat locatiekeuze, ontwerp en beheer van windparken zo moet worden vormgegeven dat er geen significant negatieve gevolgen voor vogels optreden. Omdat de impact van energieprojecten op de leefomgeving een belangrijke rol speelt bij de acceptatie daarvan (Jobert et al. 2007), is duurzame landschapsplanning eveneens van belang (Thayer 1994, 100).

4. Duurzame energie van de burger

Hierboven zijn we tot de volgende inzichten gekomen:

  • Draagvlak (inclusief acceptatie en betrokkenheid) is het resultaat van een proces van oordeelsvorming.
  • Dat beoordelingsproces kan tot een waaier aan reacties leiden: van fatalistisch klimaatverdriet tot het opzetten van duurzame energiecoöperaties of protest tegen duurzame energie.
  • Bij de transformatie van het huidige naar een nieuw duurzaam energiesysteem gaat het om oordelen over beleid en politiek, economie en technologie en ecologie.
  • Die beoordelingsprocessen vinden op alle schaalniveaus – van mondiaal tot lokaal – een rol. Draagvlak voor duurzame energie is op alle schaalniveaus en sociale domeinen problematisch. En succesvol handelen op het ene gebied hangt af van wat er gebeurt op een ander gebied.
  • Daarbij spelen actoren uit politiek en bestuur, de wereld van de wetenschap en technologie, het bedrijfsleven en de samenleving, maar inmiddels ook de natuur een actieve rol.
  • Vier criteria staan bij de oordeelsvorming van ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie centraal: ecologische haalbaarheid, techno-economische haalbaarheid, politiek-bestuurlijke wenselijkheid en maatschappelijke wenselijkheid.
  • Ecologische haalbaarheid is ‘the new kid on the block’ dat meer aandacht verdient. Het gaat daarbij om duurzaamheid en invloed op de natuurlijke omgeving.
  • Burgers verwachten dat de lusten en lasten van de energietransitie eerlijk zullen worden verdeeld (verdelende rechtvaardigheid).
  • Burgers dienen deel te kunnen nemen aan besluitvormingsprocessen over de verdeling van de baten en kosten van (duurzame) energiesystemen (procedurele rechtvaardigheid).
  • Eerlijke vertrouwenwekkende processen vragen om een goede organisatie van inclusieve participatie, transparant kennisbeheer en een open ontwerpproces op basis van gedeelde waarden en normen.

Op basis van bovenstaande inzichten kan een aantal conclusies met betrekking tot de rol van burgers in de energietransitie worden getrokken:

  • Denk niet langer in termen van maatschappelijk acceptatie en draagvlak maar in termen van maatschappelijke betrokkenheid en participatie bij beoordelingsprocessen rondom ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie.
  • Maatschappelijke betrokkenheid is op alle sociale domeinen en schaalniveaus van belang. Daarom dient de overheid ecologisch burgerschap op het gebied van de opwarming van de aarde en duurzame energie te bevorderen.
  • De energietransitie vraagt om multi-level governance, waarbij diverse bestuurslagen op tal van manieren verweven zijn.
  • Het succes van de energietransitie hangt af van een productieve vertrouwenwekkende interactie tussen politiek en bestuur, markt en samenleving.
  • Leidende principes voor de energietransitie zijn:
    • ecologische haalbaarheid (duurzaamheid en topofilie)
    • economische en technologische haalbaarheid
    • politiek-bestuurlijke en maatschappelijke wenselijkheid. Deze laatste hangt af van:
      • verdelende rechtvaardigheid op het gebied van duurzame energie
      • procedurele rechtvaardigheid
    • Stimuleer kennis- en expertisevorming in het organiseren van besluitvormingsprocessen op het gebied van duurzame energie die inclusieve participatie, transparant kennisbeheer en een open waardengedreven ontwerpproces mogelijk maken.

Referenties

  • Aitken, M. (2010) Why we still don’t understand the social aspects of wind power: A critique of key assumptions within the literature. Energy Policy 38 (4): 1834-1841.
  • Barr, S. (2003) Strategies for sustainability: Citizens and responsible environmental behavior. Area 35: 227-240.
  • Batel, S., P. Devine-Wright & T. Tangeland (2013) Viewpoint – Social acceptance of low carbon energy and associated infrastructures: A critical discussion. Energy Policy 58: 1-5.
  • Beck, U. (1996 [1986]) Risikogesellschaft: Auf dem Weg in eine andere Moderne. Frankfurt am Mainz: Suhrkamp.
  • Beck, U. (2016) De metamorfose van de wereld. Utrecht: Klement.
  • Bronfman, N.C., R.B. Jiménez, P.C. Arévalo & L.A. Cifuentes (2012) Understanding social acceptance of electricity generation sources. Energy Policy 46: 246-252.
  • Buijs, A. E., F. Langers, T.J.M. Mattijssen & I.E. Salverda (2012) Draagvlak in de energieke samenleving: Van acceptatie naar betrokkenheid en legitimatie. Wageningen: Alterra-WUR.
  • Dermont, C., K. Ingold, L. Kammermann & I. Stadelmann-Steffen (2017) Bringing the policy making perspective in: A political science approach to social acceptance. Energy Policy 108: 359-368.
  • Est, R. van & A. van Waes m.m.v. A. de Vries (2016) Elf lessen voor een goede energiedialoog. Den Haag: Rathenau Instituut.
  • Ettema, A. (2007) Klimaatverandering? Mensenwerk. Amsterdam: TNS NIPO.
  • EZ (2016) Energieagenda: Naar een CO₂-arme energievoorziening. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
  • Friedman, B., P.H. Kahn & A. Borning (2006) Value sensitive design and information systems. In: Zhang & D. Galletta (Eds.) Human-computer interaction and management information systems. New York: Foundations M.E. Sharpe, pp. 348–372.
  • Ganzevles, J. & R. van Est (2012) Energie in 2030: Maatschappelijke keuzes van nu. Boxtel: Aeneas.
  • Graaf, L. de (2007) Gedragen beleid: Een bestuurskundig onderzoek naar interactief beleid en draagvlak in de stad Utrecht. Delft: Eburon.
  • Hai, A. (2019) Rethinking the social acceptance of solar energy: Exploring “states of willingness” in Finland. Energy Research & Social Science 51: 96-106.
  • Hajer, M. (2011) De energieke samenleving: Op zoek naar een sturingsfilosofie voor een schone economie. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
  • Hitzeroth, M. & A. Megerle (2013) Renewable energy projects: Acceptance risks and their management. Renewable and Sustainable Energy Reviews 27: 576-584.
  • Holemans, D. (1999) Ecologie en burgerschap: Pleidooi voor een nieuwe levensstijl. Antwerpen: Argus/Pelckmans.
  • IPCC (2018) Special report on global warming of 1.5°C: Summary for policymakers. Cambridge: Intergovernmental Panel on Climate Change, Cambridge University Press.
  • Jobert, A., P. Laborgne & S. Mimler (2007) Local acceptance of wind energy: Factors of success identified in French and German case studies. Energy Policy 35: 2751-2760.
  • Kayhan, N. (2014) Het pad van burgers in de energietransitie: Decentrale duurzame energiecoöperaties – Een onderzoek naar de invloed van beleid, milieubesef en sociale omgeving op het gedrag van initiatiefnemers en het succes van lokale initiatieven. Masterscriptie. Nijmegen: Radboud Universiteit.
  • Kraeusel, J. & D. Möst (2012) Carbon capture and storage on its way to large-scale deployment: Social acceptance and willingness to pay in Germany. Energy Policy 49: 642-651.
  • Latour, B. (2019) Down to Earth: Politics in the New Climatic Regime. Cambridge: Polity Press.
  • Lynas, M. (2007) Six degrees: Our future on a hotter planet. New York: Fourth Estate.
  • Milchram, C., R. Hillerbrand, G. van de Kaa, N. Doorn & R. Künneke (2018) Energy justice and smart grid systems: Evidence from the Netherlands and the United Kingdom. Applied Energy 229: 1244-1259.
  • Putters, K. (2019) Overheid benadert verduurzaming te negatief en moet meer vertrouwen hebben in rol van burgers en bedrijven. Financieel Dagblad 1 november.
  • Raworth, K. (2017) Doughnut economics: Seven ways to think like a 21st-century economist. London: Penguin.
  • Ridder, J. den, E. Miltenburg, W. Huijnk & S. van Rijnberk (2019) Burgerperspectieven 2019| 4.
  • Rockström, J., et al. (2009) A safe operating space for humanity. Nature 461: 472-475.
  • Ruelle, H. & G. Bartels (1998) Draagvlak en de wisselwerking tussen zender en ontvanger. In: G. Bartels, W. Nelissen & H. Ruelle (red.) De transactionele overheid. Communicatie als instrument: zes thema’s in de overheidsvoorlichting. Deventer: Kluwer, pp. 403-409.
  • Siegrist, M. & G.T. Cvetkovich (2000) Perception of hazards: The role of social trust and knowledge. Risk Analysis 20: 713-719.
  • Sposato, R. G. & N. Hampl (2018) Worldviews as predictors of wind and solar energy support in Austria: Bridging social acceptance and risk perception research. Energy Research & Social Science 42: 237-246.
  • Thayer, R.L. (2020) Gray world, green heart: Technology, nature and the sustainable landscape. New York: John Wiley & Sons.
  • Tuan, Y. (1974) Topophilia: A study of environmental perception, attitudes and values. Englewood Cliffs, New Jersey: Prentice-Hall.
  • Upham, P., C. Oltra & A. Boso (2015) Towards a cross-paradigmatic framework of the social acceptance of energy systems. Energy Research & Social Science 8: 100-112.
  • Vringer, K. & C. Carabain (2019) Maatschappelijk draagvlak voor transitiebeleid: Een verkennend onderzoek naar de legitimiteit van transitiebeleid rond energie en circulaire economie. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Sociaal Cultureel Planbureau.
  • Warren, C.R., C. Lumsden, S. O’Dowd & R.V. Birnie (2005) ‘Green on green’: Public perceptions of wind power in Scotland and Ireland. Journal of Environmental Planning and Management 48 (6) 853-875.
  • Wolsink, M. (2018) Social acceptance revisited: Gaps, questionable trends, and an auspicious perspective. Energy Research & Social Science 46: 287-295.
  • Wüstenhagen, R., M. Wolsink & M.J. Bürera (2007) Social acceptance of renewable energy innovation: An introduction to the concept. Energy Policy 35 (5): 2683-2691.
Delen

Reageer

*

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *